De Nederlandse bijdrage aan de discussie over het Vijfde Europese Kaderprogramma |
Inleiding |
|
Onderzoek, technologische ontwikkeling en demonstratie van nieuwe kennis kunnen als niets anders bijdragen aan economische groei, werkgelegenheid en het oplossen van grote maatschappelijke problemen. De Nederlandse regering spant zich in voor het versterken van deze activiteiten. De Europese Unie heeft daarbij een taak in aanvulling op de lidstaten, zoals bijvoorbeeld verwoord in het Witboek Delors en het Groenboek Innovatie. De Unie moet zich daarbij richten op onderzoeksgebieden waar de schaal te groot is voor individuele lidstaten, door hoge kosten, gemeenschappelijke problemen of behoefte aan Europese normen. |
1. Versterking op vier fronten |
|
Nederland is redelijk tevreden met het Kaderprogramma. Het vergroot de transparantie van onderzoek binnen de Europese Unie, draagt bij aan het concurrentievermogen van de Europese industrie en ondersteunt onderzoek en ontwikkelingswerk dat bijdraagt aan een verbetering van de kwaliteit van het bestaan. Er is echter ook behoefte aan bijstellingen en verbeteringen. Nederland wil versterking op vier fronten en streeft naar een Kaderprogramma dat:
- beter inspeelt op de behoeften van de Europese bedrijven en geconcentreerd is op thema's die cruciaal zijn voor Europa in de volgende eeuw
- een sterkere interne samenhang heeft
- beter samenwerkt met andere programma's
- de efficiëntie van de Europese onderzoeksinfrastructuur verhoogt.
|
2. Een geconcentreerd Kaderprogramma |
|
Nederland wil het Kaderprogramma verder toespitsen op thema's die relevant zijn voor bedrijven en burgers en die alleen op Europese schaal goed onderzocht kunnen worden. Dat geldt voor de drie basis-thema's met een uitstraling naar tal van economische sectoren en toepassingen:
- informatie-technologie
- produktie- en materiaaltechnologie
- levenswetenschappen (biotechnologie, gezondheid, voeding en landbouwkundig onderzoek).
|
|
Dat geldt ook voor vier thema's die cruciaal zijn voor Europa in de volgende eeuw:
- energie
- milieu
- transport
- oplossingen voor Europese sociaal-economische en sociaal-culturele uitdagingen, waaronder het gebruik van de geografische ruimte in Europa, demografie, migratie en cultuur.
|
|
Deze zeven thema's zouden de ruggegraat van het vijfde Kaderprogramma moeten vormen. Elk thema dient uitgewerkt te worden in overleg met de toekomstige gebruikers van de resultaten, onder wie ook beleidsmakers bij de Europese Unie. Daarbij dient gewaakt te worden tegen gedetailleerde planning. Er moet ruimte blijven voor bottom up initiatieven en fundamenteel en vernieuwend onderzoek. Hiernaast zijn er vier algemene programma's nodig met raakvlakken naar elk van de thema's:
- samenwerking met landen buiten de EU (vooral de landen in Midden- en Oost-Europa, ontwikkelingslanden en de Mediterrane landen)
- bevordering innovatie in het midden- en kleinbedrijf. Paragraaf 3 gaat hier op in
- europese onderzoekinfrastructuur en opleiding van onderzoekers. Paragraaf 5 gaat hier op in
- het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de EU. Paragraaf 5 gaat hier op in.
|
3. Een Kaderprogramma met meer interne samenhang |
|
Onderzoek combineert veelal zowel diverse disciplines als diverse fasen op het klassieke traject van onderzoek naar toepassing. Dit vergt programma's die naast onderzoek ook andere aspecten omvatten: opleiding van onderzoekers, samenwerking met landen buiten de EU en toepassing van resultaten (ook in de vorm van standaarden en normen): 'integrale programma's'. |
|
Het vergt ook een sterke samenhang tussen de diverse onderdelen van het Kaderprogramma. Nederland vindt coördinerende tijdelijke Task Forces rond concrete thema's hiervoor geschikt. Deze Task Forces zouden geen eigen budget moeten beheren. |
|
De huidige specifieke programma's lopen nu sterk uiteen in kosten en personeel; een studie naar de oorzaken is nodig om eventuele veranderingen in het vijfde Kaderprogramma te kunnen voorbereiden. |
|
De aard van de besluitvorming heeft geleid tot een te grote versnippering binnen de programma's, ook binnen de industriële. Daardoor zijn ze minder geschikt voor strategische projecten die van groot belang zijn voor het concurrentievermogen van de Europese industrie. Nederland is er voorstander van om binnen de programma's ruimte te creëren voor dat soort projecten. Dit hoeft niet ten koste te gaan van middelgrote en kleine bedrijven. Het MKB wordt door de globaliserende markt steeds meer gedwongen tot innovatie; veel bedrijven hebben zelf echter geen R&D capaciteit. Het concurrentievermogen van deze bedrijven is cruciaal voor de economische groei en werkgelegenheid. Het Kaderprogramma dient aan hen speciale aandacht te besteden. Te denken is aan een samenhangend programma dat de nu verspreide faciliteiten voor het MKB bijeen brengt. Twee kenmerken zijn essentieel voor succes: zeer snelle procedures; open voor diverse technologieën. Zo'n programma kan het MKB helpen met haalbaarheidsstudies, uitbesteed onderzoek, en disseminatie en toepassing van reeds bestaande kennis. De projecten moeten partners uit meerdere lidstaten bijeen blijven brengen. |
|
De opleiding van Europese top-onderzoekers blijft een essentiële taak van het Kaderprogramma dat zowel in de gerichte onderzoekprogramma's als in een 'vrij' programma opgenomen moet blijven. Technology assessment moet de nieuwe generatie onderzoekthema's voor het Kaderprogramma identificeren en nauwer samenwerken met de andere programma's. |
4. Een Kaderprogramma dat beter samenwerkt met andere programma's |
|
Het Kaderprogramma is als gezamenlijk programma van vijftien lidstaten en (nu) vier meebetalende andere landen uniek in z'n opzet. Het is bij uitstek geschikt om bruggen te slaan naar andere overheidsprogramma's. Nederland ondersteunt de Commissie om de relatie met nationale onderzoekprogramma's continu te laten bezien door de programmacomite's. |
|
De relaties met andere internationale onderzoekprogramma's, inclusief defensie-gerelateerde, kunnen versterkt worden. Nederland wil vooral het verband met Eureka versterken en pleit voor medefinanciering van strategische Eureka-projecten door de EU waarbij het flexibele karakter van Eureka gehandhaafd blijft. Ook kan een Europees beurzenprogramma gefinancierd worden door de EU en samenwerkende nationale onderzoeksorganisaties tezamen. In dit verband pleit Nederland voor een Europees fonds voor top-onderzoekers. |
|
Sterkere samenwerking kan ook bereikt worden door een specifiek programma met een andere organisatie samen uit te voeren of het zelfs voor een deel uit te besteden. Dit is mogelijk bij het beurzenprogramma. Ook het programma voor het midden- en kleinbedrijf kan beter uitgevoerd worden door, of samen met, organisaties op nationaal of regionaal niveau die dicht bij de doelgroep staan. |
|
De samenwerking met onderzoekers buiten de Europese Unie dient in elk programma mogelijk te zijn, na de gebruikelijke toets op Europees belang. Nederland pleitte hier al voor bij de opstelling van het vierde Kaderprogramma. In samenhang hiermee dient het aparte programma INCO gericht te worden op aanvullende acties in M- en O-Europa en op ontwikkelingslanden die nog niet op eigen kracht als partner aan het Kaderprogramma kunnen deelnemen. Onderzoek naar het voorkomen en beheersen van gewapende conflicten zou een nieuw thema in dit programma dienen te zijn. |
|
Het Kaderprogramma kent tal van buurprogramma's die bijvoorbeeld opleidingen en investeringen bevorderen. De relatie daarmee moet verder versterkt worden, zeker met de hulpprogramma's voor de Peco-, Tacis- en Meda-landen. Samenwerking moet hier van twee kanten komen. |
5. Een Kaderprogramma dat de efficiëntie van de Europese onderzoeksinfrastructuur verhoogt |
|
Onderzoek is net als de gehele Europese interne markt op weg naar sterkere concurrentie, schaalvergroting en specialisatie. Nederland bepleit dat het Kaderprogramma dit proces ten volle ondersteunt en versnelt. Dit vergt investering in een goede Europese infrastructuur (netwerken rondom grote onderzoekfaciliteiten, bundeling en coördinatie van kleinere projecten in netwerken, en de opleiding van onderzoekers). Dit teneinde zowel de brede basis als Europese top-centra voor onderzoek te versterken. Coördinatie rond de infrastructuur hoeft overigens niet steeds alle 15 lidstaten te betreffen. Variabele geometrie biedt soms betere vooruitzichten voor effectieve coördinatie. |
|
Een grotere effiëncy en marktwerking dient ook bij het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek nagestreefd te worden. De huidige doelstelling van gemiddeld 18 % competitieve financiering moet verder verhoogd worden, met tegelijk meer flexibiliteit voor het GCO zelf in de aanwending. Het GCO moet zich concentreren op onderzoek met een duidelijke Europese dimensie. |
|
Het Kaderprogramma zelf zou aan efficiëntie winnen door de politieke besluitvorming te stroomlijnen in minder besluiten. In de uitvoering is versnelling van de procedures van (nu) gemiddeld negen maanden tot zes maanden zonder meer noodzakelijk om attractief te blijven voor toponderzoek vanuit zowel bedrijven als kennisinstellingen. Daartoe kan de procedure tussen de selectie van voorstellen tot het starten van de geselecteerde projecten verder verkort worden. Bij een echte versnelling binnen de Commissie, met behoud van transparantie en adequate monitoring, is het denkbaar dat programmacomites besluiten de selectie niet vooraf te controleren maar achteraf, en zich concentreren op de programmering van onderzoek. |
6. Budget en doelstellingen |
|
Het budget zal moeten passen binnen de financiële perpectieven die voor 2000 en verder nog moeten worden bepaald. Nederland gaat er vooralsnog van uit dat het budget niet verder stijgt. Het budget dient voor de helft bij te dragen aan de eerste van de twee doelstellingen van het Kaderprogramma: de internationale concurrentiepositie van bedrijven versterken. Onderzoek dat bijdraagt aan ander Europees beleid moet dat waar mogelijk combineren met versterking van de concurrentiepositie van Europese bedrijven. Overigens versterken beide doelstellingen elkaar vaak. Elk van de programma's in het vijfde Kaderprogramma moet open staan voor zowel bedrijven als kennisinstellingen, want samenwerking tussen bedrijven en onderzoekinstellingen is een groot, verworven goed. |
|
1 juli 1996
|
|
|